Agatha Christie schreef niet enkel misdaadverhalen. In het echte leven ensceneerde zij
een misdrijf met zichzelf in de hoofdrol.
In december 1926, ze was toen 36, organiseerde zij haar elf dagen durende mysterieuze
verdwijning. Heel Engeland stond op zijn kop, terwijl zij er alleen op uit was om haar
overspelige echtgenoot een hak te zetten.
Agatha had alles zorgvuldig geënsceneerd om haar verdwijning op een misdaad te doen
gelijken. Ze hoopte daarmee het week-end van haar man Archie met zijn liefje te vergallen.
Maar het ging niet als gepland. Het was haar voornemen om spoedig weer op te dagen, maar door
het geklungel van de Engelse politie bij de zoektocht liep alles uit de hand.
Dorothy Sayers wist vrijwel direkt dat het om een vrijwillige verdwijning ging.
Arthur Conan Doyle, nochtans arts, trok met een handschoen van Agatha naar een
waarzegger die beweerde dat "de eigenares, in tegenstelling met wat velen meenden,
niet dood was".
Goed, maar Agatha bleef onvindbaar.
Archie Christie, haar ontrouwe echtgenoot, vermoedde wat zijn vrouw opgezet had, nadat
ze het echtelijk huis verlaten had. Hij wilde zijn huwelijksproblemen niet aan de grote
klok hangen, maar toen de politie hem van moord begon te verdenken, liet hij verstaan
dat zijn vrouw mogelijk aan geheugenverlies leed.
Ondertussen danste Agatha de charleston in een kuuroord in Yorkshire, waar zij door een
muzikant herkend werd.
Einde van het verhaal.
Over deze korte episode in haar leven heeft Agatha Christie nooit een woord gerept.
"Het geheim van de verdwijntruc" heeft ze meegenomen in haar graf. Cholsey, Oxfordshire.